Auteur: Bob Heeren
Datum:
Onder: Artikelen
Permalink

Column Bob Heeren: Eiburgse Boys

Eiburgse Boys

Ik kijk naar een afbeelding van een reusachtige reclamezuil met daarop het logo van de Rijnsburgse Boys, dat helder afsteekt tegen de grijze winterlucht.

Het ding staat ergens in de buurt van Schiphol. Een van de resultaten van een barterdeal tussen outdoor reclamebedrijf Hillenaar en de sponsorgroep.

Ik denk aan hoe reizigers van over de hele wereld het beeld van de club nu als een sportief virus verder kunnen verspreiden. De wereld zal weten van the onions, les oignons, die Zwiebeln en las cebollas.

De wereld wist destijds niks van mijn jeugd in Eibergen. Een dorpje in de Achterhoek op een paar kilometer van de Duitse grens. Daar voetbalden we in vrijwel volstrekte anonimiteit.

Een gedachte flitst door mijn hoofd. Ik zoek en vind op zolder de foto die altijd in het halletje van de flat van mijn grootouders in Egmond aan Zee hing. Ik haal het plaatje uit de lijst. Mijn opa heeft op de achterkant geschreven:

8 mei 1971. Robert Pieter 8 jaar en 8 maanden.

Ik staar naar mijn vijftig jaar jongere ik, die met een tevreden grijns en hoog opgetrokken broek naar de camera kijkt, het shirt strak in de broek gestopt. Mijn haren zijn correct in een borsteltje geknipt. De linkerarm steekt ferm de lucht in, met in mijn knuist een bos roodgele tulpen.

Mijn wereld van toen mocht het weten. De pupillen van de Eibergse Boys B2 waren zojuist kampioen geworden. Als enige team van de vereniging dat jaar. De voorzitter, tevens hoofd van mijn lagere school, sprak ons toe en deelde plastic voetballen uit.

Ik ken ze nog allemaal bij naam, mijn teamgenoten. En ook de leiders, spelers van het eerste. We staan, zie ik nu pas goed, op een onvoorstelbaar knollenveld. Het deerde niemand. Ook niet dat we gewoon elf tegen elf speelden op een heel veld, met alleen een verlaagde doellat. We liepen op een kluitje, met uitzondering van een talentje dat alle goals maakte. De blonde jongen die voor de leider met het rode haar op de foto staat.

Het gaat tegenwoordig allemaal anders en meer professioneel.

In mijn jeugd was er, denk ik, minder stress. We trainden op woensdag. Op vrijdag lazen we op een ergens in het dorp aangeplakt A4’tje waar en hoe laat we zaterdag moesten spelen.
Als je geluk had zei een leider tegen het einde van het seizoen dat je kans maakte om kampioen te worden. Die informatie had hij op voor ons geheimzinnige wijze ergens vandaan gekregen.

Ik ben na 8 mei 1971 nooit meer kampioen geworden. Dat deed niets af aan mijn liefde voor de vereniging.

Mijn vader en ik keken op zondagmiddag graag naar het eerste. In de rust kochten we een warme worst bij clubicoon dikke Jan Lenderink. Een man met een enorme buik die altijd op de club was en daar alles voor opgaf en deed.

Jan had een hoge en harde stem, waarmee hij in voor mij vrijwel onverstaanbaar plat Achterhoeks hele directe teksten uitsprak. Ik meende intuïtief te weten dat hij het altijd goed bedoelde.

Een keer vroeg ik hem om uitleg, toen hij op schrille en luide toon verkondigde dat hij die avond “Moos ging etten.”

“Sorry Jan, wát ga je doen?”

Hij keek mij met enig medelijden aan terwijl hij duidelijk zijn best deed om voor mij Algemeen Beschaafd Nederlands te spreken:

“Ik ga vanavond boerenkool eten, Bob”.

“Zeker met een warme worst erbij”, zei ik.

Jan grijnsde en vertrok. Hij verstond mij duidelijk beter dan ik hem.

Toen ik een aantal jaren geleden van mijn ouders hoorde dat Jan was vertrokken en nooit meer in dit leven terug zou keren, heb ik hem geëerd door in mijn eentje een warme worst bij de HEMA te kopen en die met een buiging naar de hemel op te eten.

Ik kijk naar mijn acht jaar oude ik in het dorp van mijn jeugd, de wortels van mijn bestaan. Ik voel mijn bloed sneller stromen.

Dan gaan mijn ogen naar de reusachtige zuil met daarop het logo van de club van dat andere dorp dat mijn hart heeft gestolen.

Het is voor mij duidelijk dat alles met elkaar verbonden is. Warme worst met uien.

Ik snap nu ook de symboliek van de reclamezuil in de buurt van Schiphol.

Een plaats om van te vertrekken.

Maar bovenal een plek om altijd thuis te komen.